Bijna een op de drie Nederlanders verliest zijn of haar partner aan kanker[1]. Een noodlot dat Sjan van Iersel niet één, maar twee keer overkwam. Twee keer verloor ze na een lang ziekbed haar man en een huwelijk van twintig jaar. Hoe ga je om met de dood, rouw, verdriet en een nieuwe liefde? “Het voelt alsof ik drie verschillende levens heb gehad.”

JEUGDIGE ONBEZONNENHEID 

“We hadden een geweldig huwelijk. Tot de allerlaatste dag waren we stapelgek op elkaar. En het was niet altijd rozengeur en maneschijn”, ze valt stil en probeert de brok in haar keel weg te slikken. “Maar hij was wel mijn grote liefde”, vervolgt ze met een trillende stem. “Zijn leven was niet af, en dat gemis zal altijd blijven.”

Het was 1968, eind juli toen ze hem voor het eerst zag. Donkerbruin haar tot op zijn schouders, gekleed in een lichtblauw overhemd. Het was in het centrum van Arnhem, voor de deuren van Nieuwe Plein 30, een populaire, luxe snackbar waar veel artiesten kwamen. Hij stapte op zijn grijze mobylette, met zijn toenmalige vriendin achterop. Haar donkerbruine steile haar wapperde in een paardenstaart in de wind toen ze wegreden. “God, wat was ik jaloers”, zegt Sjan. “En hij leek zo onbereikbaar. Ik was 16 jaar en echt nog een meisje. Ik liep nog met een springtouw rond.” Sil was vier jaar ouder, had al een tijd verkering en had al het een en ander ontdekt in het leven. Een paar dagen later viel het doek voor die relatie. 

Ze zagen elkaar geregeld in de tijd die volgde en op een avond was het raak. “Ik weet nog dat ik voor het eerst op zijn slaapkamer kwam. Een stalen eenpersoonsbed en een grote eikenhouten kast vulden de kamer. Boven die kast hing een grote foto van zijn ex, dat viel meteen op toen ik op zijn bed ging zitten.” Sil zag haar kijken en stond op. Hij liep naar de cognac bruine kast en wipte zo de foto van de spijker af, waarna de foto achter de kast viel.

Het was ergens in oktober, op een mooie nazomerdag. Sjan was 18, Sil was 22. Hij zat net in militaire dienst. “Ik was ’s middags naar de arts geweest om te kijken of ik in verwachting was, en ’s avonds ging ik Sil aan het station halen. Hij liep net station Arnhem uit toen ik daar aankwam, en op het zebrapad voor het station kwamen we in het midden bij elkaar.”

“En?” vroeg Sil terwijl hij me vastpakte. “Ik ben zwanger”, antwoordde ik. Hij tilde me op en slingerde me rond over het zebrapad. 

“We waren zo blij, zo ongelofelijk blij”, vertelt Sjan. “Jeugdig optimisme, niet wetend wat er nog allemaal achter die horizon zou komen.” 

DOOD IN DE DOOFPOT 

22 jaar later, Sjan en Sil woonden met hun twee kinderen René en Sandra in een splitlevelhuis aan de Tromplaan in Weert. Sjan werkte bij Johny Hoes op de verkoopafdeling, en organiseerde feesten en partijen. Sil was sales executive van een bedrijf dat kopieermachines verkocht. Op een dag ging Sjan na haar werk met Tijgertje lopen. Tijger was de pinscherhond van het gezin. Ze was de straat nog niet uit als ze bijna overhoop wordt gereden door Sil in hun eigen auto. Ze wist meteen dat het niet goed was, en liep terug. In de woonkamer ziet ze Sil verslagen op de bank zitten.

“Ik heb longkanker”, zei Sil toen hij thuiskwam van de dokter. “Je hebt wat?”, vroeg ik hem, met stomheid geslagen. “Ja, ik heb longkanker. Maar ik word bestraald en dan is het weer over. Echt waar.”

Zijn ziekte kwam zijn humeur niet altijd ten goede. “We hadden bezoek toen de telefoon ging en ik een collega aan de lijn had. Volgens Sil duurde het gesprek te lang. Hij liep na een paar minuten de trap af naar de keuken, pakte daar een schaar en nog voor ik doorhad wat er gebeurde had hij de telefoonlijn doorgeknipt. Hij zei niks, legde de schaar terug en liep weer naar ons bezoek.”

Een jaar later kreeg hij eind februari een aanval – tot op heden onduidelijk of dat epilepsie of een hersenbloeding was. “In het ziekenhuis vertelden ze dat ik me erop moest voorbereiden dat hij niet meer wakker zou worden. Dat kwam binnen. Ik leefde met een man die zijn ziekte verhulde. Hij sprak nooit over de dood en deed alsof er niks aan de hand was.”

Vanaf het moment dat Sil wist dat hij kanker had, wilde hij in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis behandeld worden. Sjan had in die tijd een fobie voor ziekenhuizen. Sil had net zijn laatste chemo gehad toen hij lijkbleek en onderuitgezakt in een rolstoel zat in de hal van het ziekenhuis. Hij kon niks meer. “Ik moest iets bij een klantenservice vragen en stond te bibberen aan de balie. Ik keek naar hem en hij stak zijn duim op en zei ‘je kunt het’. Hij ging dood, ik stond daar voor niks te bibberen en toch denk denkt hij aan mij. Dat was Sil.”

Pas vijf dagen voor zijn dood sprak Sil uit dat het niet meer goed ging komen. “Hij vroeg aan de huisarts of euthanasie een optie was. Met mij had hij dat nog nooit besproken. Maar misschien wilde hij mij beschermen, omdat ik te jong was om het aan te kunnen.” 

“Kom me maar snel achter na”, zei hij, terwijl hij mijn hand vastpakte. Hij was al een hele week niet uit bed geweest en de dokter zou zo komen. “Dat kan niet, Sil. Ik moet bij de kinderen blijven”, was mijn antwoord. “Oh ja, dat is waar.” Het was zomaar een vrijdag, de 22e in mei om half 7 ’s ochtends. Hij hoeft niet meer. Het is voorbij. 

Sil was 44. 

VEERTIG EN WEDUWE 

Ik voelde me boos. Machteloos. Schuldig. Boos dat Sil in het midden van zijn leven uit de wereld werd weggerukt. Machteloos dat ik niks kon doen voor hem. Schuldig omdat mijn leven wel verder ging, en ik mocht zien hoe onze kinderen opgroeiden, trouwden en zelf kinderen kregen. En hij dat niet mocht zien.”

In de bloei van een leven samen, stond Sjan er op haar veertigste ineens alleen voor. Met een fulltimebaan, een zoon van 21 en een dochter van 19. Het leven moest doorgaan, maar hoe doe je dat als je geleefd wordt? “Na een week ben ik weer gaan werken, en ik denk dat dat mijn redding geweest is. Daar was Sil een verboden onderwerp, en kon ik gewoon mijn ding doen. Zo had ik iets om handen. In augustus vertrok ik in mijn eentje naar Canada, ik moest er even uit. Daarna ben ik op zoek gegaan naar een nieuwe woning; alles in ons huis herinnerde mij aan Sil.” 

RUST, LIEFDE EN ROUW

“Het was een van Sils’ laatste dagen toen ik Jac op straat tegenkwam toen ik de vuilnis buiten zette”, vertelt Sjan. Ze woonden al jaren in dezelfde straat en gingen geregeld met elkaar om. Zijn vrouw had ook kanker, en was net overleden. Wat hij net had meegemaakt, stond haar nog te wachten. Ze gaven elkaar een knuffel, en zeiden niks. Niet veel later verhuisde Sjan naar een dorpje verderop, waarna ze Jac niet meer had gezien.  

22 mei 1993. Het was de eerste sterfdag van Sil en de beste vrienden van Sjan waren 25 jaar getrouwd. “Mijn hoofd stond echt niet naar een feestje. We gingen met het gezin eten om stil te staan bij Sil, daar wisten de kinderen me te overtuigen om toch even te gaan. Ik kon het niet maken om hun zilveren jubileum te missen. Op dat feest kwam ik Jac weer tegen.” Gekleed in een grijze broek en een blauw jasje, netjes als hij altijd was met zijn grijze haren naar de zijkant gekamd. “We hebben zoveel gepraat. Hoe doe je zus, hoe doe je zo, hoe heb je dat gedaan?” Toen ze naar huis gingen vertelde Jac dat hij een nieuw appartement had gekocht. Daarvoor had hij nieuwe meubels nodig. “Hij zei dat hij niet wist wat leuk was en vroeg of ik een keer mee wilde”, vertelt Sjan. Zo gezegd, zo gedaan. Op de woonboulevard koos Jac de meest afgrijselijke meubels uit. Een ecru bank, in Italiaanse sierlijke stijl. Licht gebloemd met pasteltinten. “Het was niet om aan te zien, die bank. Maar ik dacht ‘ach, als hij dat mooi vindt’. Toen kwam het nog geen moment in me op dat ik misschien zelf ooit wel tussen die afschuwelijke meubels terecht zou komen. Dat gebeurde dus wel.”

Ze zaten samen op die oerlelijke bank in zijn huis. Sjan had haar eigen huis, Jac woonde nog in Weert. Al maanden pendelden ze heen en weer tussen die woningen. 

“Het is niet handig zo. Dan ligt er iets hier, het andere ligt daar. Moeten we niet samen kiezen voor één adres?” vroeg ik aan Jac. “Ja, dat wordt misschien wel tijd”, antwoordde hij. Natuurlijk is dat een grote stap, maar het was een gevoelskwestie. En het voelde goed.

In de zomer van 1995 stapt het stel in het huwelijksbootje. Het was bloedheet. We vielen bijna flauw in het stadhuis. Het zweet liep ons over de rug”, vertelt Sjan. Maar het was een bruiloft waar niks aan ontbrak. Jac had een goede baan in de bouw, Sjan werkte als hoofd van de verkoopafdeling van Falkplan. Ze konden het zich permitteren om het groots aan te pakken; een wezenlijk verschil met de bruiloft van 26 jaar daarvoor. Het feest was in de Grote Hegge, een kasteelhoeve in Thorn. Een locatie omgeven door een gracht en een hoop groen, met authentieke architectuur. 

“Zo’n tweede liefde groeit op het verleden, omdat je hetzelfde hebt meegemaakt. We kenden elkaar; ik kende zijn eerste vrouw, hij kende Sil. Je hoeft de behoefte aan een nieuwe partner niet te hebben, om hem toch te vinden. Het was niet de allesomvattende er-kan-me-niks-gebeuren-jeugdliefde, maar het was een hele vertrouwde liefde. Er was rust, liefde en ruimte voor rouw.”

GEEN MAANDEN, MAAR JAREN

Sjan en Jac genieten van elkaar en van het leven. Hun samengevoegde gezin van drie kinderen en twee kleinkinderen groeit als een hechte familie, en brengt veel tijd samen door. Het stel koopt een stacaravan in Zeeland waar ze veel mooie herinneringen maken. Een ruime achttien jaar is het stel bij elkaar als er weer een donderslag bij heldere hemel komt. Jac ging naar de huisarts vanwege bloed bij zijn ontlasting. Die stuurde hem meteen naar het ziekenhuis. 

“Het is foute boel”, zei de oncoloog. “U heeft darmkanker.” En er waren uitzaaiingen. In de longen en in de lever. “We gaan u behandelen, maar u moet nu meer in maanden dan in jaren moet denken.”

“Ik moest huilen, maar Jac was er eigenlijk vrij rustig onder. Dat kan ook zijn aard van confrontatie vermijden geweest zijn. Dat deed hij vaker. Zwijgen, terwijl hij een heleboel dacht. Geen mening geven, terwijl hij die wel had. Op die manier kon hij veel mensen voor zich winnen, maar bij de oncoloog had dat niet zoveel zin.”

De chemo viel Jac mee en in tegenstelling tot wat de oncoloog zei, heeft Jac nog ruim twee jaar kwaliteit van leven gehad. Het leven ging door, en als je niet wist dat hij ziek was, was het ook niet te zien. “Soms vergaten we het wel eens, biecht Sjan op. “Jac bleef zijn dingen doen; hij bleef postzegels verzamelen en kaarten met vrienden. We wandelden elke dag en zijn nog twee keer naar Tenerife geweest terwijl hij ziek was. We hadden het er ook niet zo vaak over, Jac was ook niet zo goed in het uiten van zijn gevoelens.”

De laatste twee maanden ging het erg snel. De kanker begon weer te groeien en er was nog maar een soort chemo mogelijk. Daar werd Jac heel ziek van. Zijn haar viel uit, hij viel veel af, werd kortademig en had weinig energie meer. Hij kreeg last van een vochtophoping in de buikholte. Alsof hij een emmer met water was als hij liep, het water klotste alle kanten op. Zijn buik werd leeggepompt, de chemo sloeg niet aan en het einde kwam in zicht.

“Ik heb je lief” zei ik zachtjes tegen hem. “Je bent van mij”, fluisterde hij terug, het koste hem veel moeite om te praten. Met die woorden mocht ik elke nacht in slaap vallen, maar hierna zou ik het nooit meer horen. Het was woensdag 23 oktober 2013 rond een uur of vier ‘s middags. 

Jac was 71. 

VERDRIET ZONDER WOEDE

Het tweede verlies was net zo pijnlijk, maar anders. “Natuurlijk is het verschrikkelijk dat je weer iemand waar je twintig jaar lief en leed mee deelt, verliest. Maar tegelijkertijd wist ik nu dat ik me kon redden, dat had ik al eens eerder gedaan. Bovendien was Jac ook nog te jong om te overlijden, maar zijn leven was wel wat meer af. Hij heeft zijn dochter op kunnen zien groeien en trouwen. Hij heeft kleinkinderen gekregen en een tijdje van zijn pensioen kunnen genieten. Dat maakte dat ik minder boos was, en ditmaal alleen met verdriet hoefde om te gaan.”Na het verlies van Jac ging ik ervan uit dat ik de rest van mijn leven alleen zou blijven. Ik was 61 en had twee mooie huwelijken meegemaakt. Ik dacht niet eens na over een nieuwe liefde. Ik deed mijn best om een leven voor mezelf te bouwen. Ik ging bij verenigingen, zocht vrijwilligerswerk en investeerde in mijn

vriendschappen.” Ze wilde niemand nodig hebben om gelukkig te kunnen zijn. Daarbij speelde ook de angst om weer kwijt te raken voor Sjan een grote rol. “Een angst die denk ik heel normaal is. Elk mens dat een relatie verliest, of dat nou door een scheiding of de dood is, herkent de angst om daarna weer iemand kwijt te raken.”

DRIEMAAL IS SCHEEPSRECHT

Toch leerde ze opnieuw iemand kennen waarbij liefde verdriet wist te overstijgen. Wederom iemand die ook net zijn partner had verloren aan kanker. Via het spelletje Wordfeud konden de twee veilig van een afstandje met elkaar praten over het gedeelde verdriet. “Ton herkende veel van wat ik zei en voelde. Het was wel te merken dat hij diezelfde boosheid en machteloosheid voelde als ik voelde bij Sil. Pas toen besefte ik dat ik misschien ook boos was toen omdat het niet eerlijk was dat dat mij moest overkomen, in plaats van alleen boos om het gemis van Sil.” 

Ze deelden veel, en het bood troost om te praten met iemand die wist wat de ander voelde. Beetje bij beetje werd de afstand kleiner. Ze fietsten veel samen, pakten een terrasje en proostten op hun overleden partners. “We groeiden gewoon naar elkaar toe”, vertelt Ton. “Ik was niet bang, maar ik moest er wel aan wennen. Ik had er nooit over nagedacht om samen te zijn met een andere vrouw. Ik was bijna veertig jaar getrouwd. Om na al die jaren weer verliefde gevoelens te voelen was vreemd, maar wel heel fijn. We leefden allebei weer op.”

Op een terras in Scheveningen, ergens in april, dronken we koffie met uitzicht op het strand. Het regende, en we warmden ons op aan de openhaard naast ons. “Wat gaan we nu doen?”, vroeg Ton. “We hebben het fijn samen en zien elkaar graag. Blijven we vrienden of besluiten we om samen verder te gaan? Want ik ben verliefd op jou.” Ik kon mijn geluk niet op en wilde mijn antwoord het liefst van de daken schreeuwen, maar ik pakte zijn hand en sprak de woorden zachtjes uit – ‘ik ook op jou.’

Het verlies van hun eerdere partners loopt echter nog als een rode draad door hun leven. “We praten er vaak over. We hebben het grootste deel van onze levens met anderen doorgebracht. Ton kende Jac en Sil niet, en ik kende zijn vrouw niet. Dan heb je een hoop bij te kletsen”, stelt Sjan. 

Iets meer dan een jaar na hun afspraakje in Scheveningen, geeft het stel elkaar op 12 mei 2016 het ja-woord. “Het huwelijk heeft mij namelijk nooit teleurgesteld. Ik heb twee mooie huwelijken gehad. Je hebt het noodlot niet in de hand, maar het kwam nooit door te weinig liefde dat die zijn geëindigd. We hebben het geluk weer met elkaar gevonden, en dat wilden we graag vieren.” Als het aan Sjan ligt, zijn mensen dan ook niet geboren zijn om alleen door het leven te gaan. “Leven met zijn tweeën is zoveel meer dan alleen. En gelukkig heb ik met Ton nog zeventien van de twintig jaar te gaan, want verder gaat het niet als je met mij trouwt.” 



[1] Bron: CBS